De wereld aan je voeten

De vlag kan niet ver genoeg uit. De tas die erbij bungelt mag zeiknat regenen met de bijbehorende boeken erbij. Nóóit ligt de wereld zo aan je voeten als op dat ene geslaagde moment. 
Ik glimlach, elke vlag opnieuw en denk terug aan mijn eigen, wat onrustige examenjaar. Voor ieder vak een her, maar ik heb het gehaald!

Jarenlang gingen al mijn dagdromen uit naar die ene, fantastische jongen. Helaas was hij jaloersmakend trouw aan zijn vriendinnetje. Ging de verkering onverhoopt uit, dan werd mijn ontluikende hoop binnen de kortste keren om zeep geholpen. Het was weer aan. Mijn middelbare schooltijd verstreek zo in amechtige hunkering.
Tot in het zesde schooljaar. Ik zat in het derde bankje van voren, linkerrij, linkerplek. Hij gooide zijn pukkel op het tafeltje naast me en ging zitten. Zijn brede lach, het hese stemgeluid, zijn bruine ogen, de moedervlek boven zijn lip, het hele plaatje komt zo weer bovendrijven. Wie de leraar was en welk vak gedoceerd werd blijven diep verborgen in mijn onderbewuste. Vijftig volle minuten lang heb ik intens genoten.

Die vijftig minuten waren fataal. De dokter werd bij ons thuis ontboden. Compleet van slag heb ik geen van mijn eindexamens kunnen maken. 
Van mijn bezorgde ouders mocht ik een aantal weken later ondanks alles toch naar zijn examenfeestje. Uiteraard met de nodige instructies, waarbij de opdracht om op tijd af te haken de boventoon voerde. Dus brachten een aantal van zijn vrienden me veel te laat met de auto naar huis. 
‘Zachtjes hoor!’ waarschuwde ik, terwijl ik uitstapte. Ik zwaaide nog een keer en stak snel de sleutel in het slot. Luid claxonerend namen ze afscheid met een bonus van drie rondjes over de minirotonde voor mijn ouderlijke woning.

Hoewel ik nooit één zoen van mijn grote held heb gehad, helemaal onbezoedeld heeft hij me beslist niet achtergelaten. De arts was daar heel duidelijk over toen hij, vlak voor mijn eindstreep, door het hele huis de diagnose bulderde: 
‘Há, dat is een prácht van een Pfeiffer!’

 

juli 2015