Thuis is allang niet meer alles goud wat blinkt
Zorgvuldig opgebouwd decorum
verdwijnt in gelijke tred met je denkvermogen
Het goud van weleer
zie ik terug in je kinderogen
‘Ben jij Annie?’
Jouw moeder
Mijn moeder
Haar kind
Ze vindt de wereld ver en vreemd
Vraagt aan thuiszorg
‘Wat ben jij van mij?’
Ach, mam
Zo ziels ontheemd
Alleen pap
als constante factor
En dan moeten wij
beslissen
voor hem, voor jou
Dat het beter is
Elders

 

***

 

Zal ik slapen?
Zal ik waken?
Hoor hun stemmen door de muur
Voor ’t laatst
zo samen
Wrede speling der natuur
Dat waarvan je altijd zei
dat past zo niet bij mij
Dat waarvan ik nu denk
dit is zo niet je statige jij
Het laatste woord vanavond is een diepe buiging voor jou
Je nuchtere constatering van een simpel feit:
‘Ik ben een stuk van mijn leven kwijt’

 

***

 

Wanneer glipte jij tussen mijn vingers door?
Terwijl de tijd verstreek
Terwijl ik even, heel kort, niet keek
Toen je namen en adressen schreef
Toen je zei: ‘Opdat ik met warme hand geef’
Toen je wees naar je hoofd: ‘Het klopt hier niet, het komt niet bij elkaar’
en ik enkel dacht, sus haar maar
Daar waar ik vergat te praten
heb ik jou zo intens eenzaam gelaten
Tegelijkertijd hield jij op wat je op kon houden
en deed ik niets liever dan daar op te vertrouwen
Totdat dat flinterdunne laagje bikkelhard aan diggelen viel
en ik slechts nog kan ruimen, met heel mijn hart en ziel

 

***

 

Het waait en stormt
Buiten
Binnen
klapperen de glazen
in hun sponning
Ik trotseer storm
opstuivend zand
maar blijf steken op
onbeantwoorde levensvragen
die ongevraagd
mijn pad opdenderen
Met de snelheid van de wind
de onrust van de storm
het niet aflatend
klapperen van de ramen