Wijwater

De tranen lopen over mijn wangen, terwijl ik achter het dressoir van mijn ouders sta. De ingebouwde radio heb ik zojuist uitgezet. Op dit heilige moment passen alleen stilte en een serene rust. Onze geliefde pastoor heeft vanochtend, na jaren trouwe dienst, afscheid genomen. De laatste mis leverde een indrukwekkend schouwspel op. Zeker voor een kind van tien. 

Op het dressoir ligt een damasten kleed: een servet uit de linnenkast. Daarbovenop staat het asbakje van ons toilet. Daar waar de meeste toiletten een keurig zeepbakje hadden prijkte bij ons, in een ijzeren houdertje, een ongebruikte mini-asbak met een doorsnee van een centimeter of vijf. Vandaag bewijst het, gevuld met water, grote diensten. Om de paar tellen dip ik mijn wijsvinger in het kommetje en breng dit naar mijn wangen, terwijl ik de scheidende pastoor al prekend imiteer.

Vorige week ging ik met een collega uit eten in een Tapasbar. Om ons heen allemaal Maria-beeldjes en rozenkransen. Op een viltje vulden we een aantal heerlijke gerechten in. Daar kwamen ze, de grote gamba’s. Ongepeld. Net die ene keer dat ik vergeet te vragen hoe ze geserveerd worden, waren ze voorzien van een voor mij onneembaar harnas. Gelukkig stond er een bakje van zo’n vijf centimeter doorsnee naast. Ik pelde mijn beide gamba’s. Er bleef verdraaid weinig van over, terwijl alles om mij heen onder zat. Snel dompelde ik mijn vingers in het water om vervolgens mijn bestek schoon te maken.
Het water bleek olie. Nu had ik naast mijn glimmende mes en vork ook nog eens tien glanzende vette vingers. De serveerster keek me aan alsof ik een kind was en overhandigde me citroendoekjes.
Ik nam een slok wijn, brak een stukje brood af en waste mijn handen in onschuld.
Bij mijn tafelgenote liepen de tranen over de wangen.

 

oktober 2014