Drie anjers en een takje groen

Zo’n jaar of twaalf jaar ben ik, als ik dapper de wekelijkse opdracht van mijn vader uitvoer.

Met vijfentwintig gulden naar het bloemenmannetje, dat iedere zaterdag de achterkant van het stadhuis opfleurt. Een vriendelijke, deftige meneer, die respect bij me afdwingt. Waarschijnlijk mede veroorzaakt door zijn keurige pak en bijpassende hoed.

Samen zoeken we de bloemen voor mijn moeder uit.

Freesia’s als ze er zijn. Roosjes ook als het even kan. En in de herfst Chrysanten.

Met de onvermijdelijke drie anjers en een takje groen maakt het bloemenmannetje duidelijk dat het boeket wat hem betreft weer voldoende gevuld is. We wisselen van buit en ik loop blij met zoveel vrolijks in mijn armen weer naar huis.

 

Mijn moeder verdeelt de weelde over onze woonkamer. Behalve het laatste bosje. Dat heeft een hele speciale bestemming.

Zorgvuldig laat ik de anjers en het takje groen in het zilveren platte vaasje glijden. Met het boeketje in de hand loop ik de trap af van ons bovenhuis. Slechts ons portiek scheidt mij van het winkelende publiek in deze hoofdader van de stad. Beschroomd laat ik de exclusieve herenkledingzaak van mijn ouders achter me.

 

Ik houd het vaasje dapper voor me en snel de hele winkelstraat door. Ik voel de ogen prikken in mijn rug, maar durf niet op te kijken, bang te worden uitgelachen.

Eindelijk ben ik bij het poortje van de boekhandel. Opgelucht en beschut door twee hoge muren, loop ik op mijn gemak verder naar onze plek. Ik open de deur en schuif het vaasje in de houder.

 

In het midden van de week, maak ik dezelfde tocht nog eens, dit keer met een gietertje.

Meestal staan ze er dan nog goed bij.

De anjers in de auto van mijn vader.



augustus 2012