Hieronder staat - met toestemming van de uitgever - het korte verhaal 'De Pruimedanten'. Dit is in 2012 verschenen in het boek 'Oude vrouwen en de geur van chrysanten', een verhalenbundel met inbreng van verschillende auteurs.

'De Pruimedanten'

 ‘Wat ligt daar? Schoppen of klaverboer?’
‘Klaver. Koning,’ klinkt het nuchter uit de mond van Wies.
‘O….. nee. Daar heb ik niks aan.’
Anne kijkt peinzend over haar bril naar de andere kant van de tafel. Iets te driftig gooit ze een kaart op het stapeltje. ‘Gatverdarrie, weer niets!’ Het glas wijn naast haar wankelt en draait, maar houdt stand.
‘Nou Anne, het zit je mee vanavond,’ lacht Marjan. Ze gaat weer zitten nu de dreiging van een nat pak is overgewaaid. Ook Wies en Loes gaan terug in de ruststand.
‘Wie wil er nog een gevuld eitje?’ leidt ze de aandacht af.
Opeens horen ze een donkere stem in de hal. Tegelijkertijd slaat de voordeur dicht.
Geschrokken kijken ze elkaar aan. Tot het onheil binnenkomt.
‘Hans, gezellig!’
‘Je bent te vroeg. We zijn er nog,’ glundert Loes. Ze weet heel goed dat hij het helemaal niet erg vindt dat ‘de Pruimedanten’ de eettafel nog claimen. Jarenlange vriendschap hangt voelbaar in de kamer. Vanavond is bijzonder. Voor het eerst sinds lange tijd zijn ze weer samen. Door het ongeluk van Wies, zagen ze elkaar een stuk minder. Ze gingen om de beurt naar haar toe, zodat ze vaker bezoek had. De rest schoot er eigenlijk een beetje bij in.
Misschien komt het daardoor dat ze zo balorig zijn. Ze lijken eerder een stel pubers dan dames op leeftijd. Als Marjan voor vertrek haar kekke hoedje opzet, krijgt Hans spontaan de slappe lach. Hij kan er alleen maar naar wijzen als Marjan hem vol onbegrip aankijkt.
Loes en Anne proberen ondertussen Wies in haar rolstoel naar buiten te manoeuvreren. Hun inzicht is ver te zoeken.
‘Vreselijk dat gesjor,’ lacht Anne.
‘Wies, hou die paraplu nou eens dicht tot je buiten bent!’
‘Als je me in de logeerkamer keert en dan in z’n achteruit?’ oppert die.
‘Help Wies de drempel over!’
‘Tot de volgende keer,’ zwaait Anne hen uiteindelijk na. Eerst de broek maar eens in de wasmachine…..
Als ze de deur van de trommel dichtgooit, gaat de telefoon.
‘Met Marjan. Veilig gearriveerd! Oh, Anne, wat hebben we toch vreselijk gelachen,’ geniet ze nog na.
‘Ik heb net meteen mijn spijkerbroek in de was gegooid, erg hè?’
‘Je bent niet de enige,’ troost Anne. ‘Loes heeft Wies thuisgebracht en is meteen doorgereden. Ik moest je zeggen dat ze wel goed overkwam, dus op haar telefoontje hoef je niet te wachten. Ik zou maar lekker naar bed gaan als ik jou was.’
Goed idee.
Na het vaste avondritueel inclusief oefeningen voor nek en rug stapt ze doodop in bed. Ze frummelt kussentjes onder hoofd en benen om de ongemakken de komende nacht zoveel mogelijk uit te bannen.
‘Weltrusten schat,’ tuit Hans z’n lippen.
Hij krijgt een aai over z’n bol toe.

 

***

 

‘Schandalig! Ze moesten die jongeren veel harder aanpakken! Ze vragen er toch zelf om, dat tuig. Nu hebben ze weer een vrouwtje van vijfentachtig beroofd. Ze moeten ze allemaal opsluiten, één voor één,’ raast ze fel.
‘Anne, wind je toch niet zo op. ‘
‘Mmm, ik vind er ook eigenlijk niks meer aan. ‘k Lees die krant net zo lief niet. Al die ellende.’
Beslist klapt ze het ochtendblad dicht.
Met de nodige krachtsinspanning staat ze op. Hé, daar ligt een oorbel van Loes. Ze was er bijna op gaan staan. Gut, zou ze hem nog niet gemist hebben?
Maar even vragen straks. Ze legt hem zorgvuldig in een zilveren bakje op het dressoir, zodat hij niet kwijt kan raken.
Op de kast staat, tussen de zilveren fotolijstjes gevuld met kinderen en kleinkinderen, ook het prachtige staatsieportret van haar moeder. De vaas ernaast is steevast gevuld met bloemen. Als het de tijd ervoor is met witte chrysanten, daar hield ze zo van. Soms opeens, kijkt ze even bewust naar haar moeder. Vreemd eigenlijk. Welke leeftijd je ook hebt, ouders, je moeder, je blijft ze diep van binnen altijd voelen. En horen, dat misschien nog wel meer.
De laatste tijd denkt ze steeds vaker terug aan haar jeugd. Hard werken was het vroeger. Toen ze vijftien jaar was, had ze vaak migraine. Omdat ze een meisje was en haar moeder thuis best wat hulp kon gebruiken, was de beslissing snel genomen. Ze ging van school en bestierde vanaf die leeftijd het huishouden van een gezin met acht kinderen en deed en passant het nodige in de winkel. Daar dacht je toen niet over na, dat deed je gewoon. Je had respect voor je ouders en luisterde naar hen. Dat is tegenwoordig wel anders, bedenkt ze schamper. Daar stond laatst nog een heel artikel over in ‘Margriet.’ Moest ze ook eens aan Chantal laten lezen. Wel met de nodige uitleg natuurlijk. Chantal moest niet denken dat ze kritiek had op haar opvoeding. Maar eigenlijk…. pffft, als ze er bij stilstaat wat zij allemaal naar haar hoofd geslingerd krijgt. Dan zou ze die kinderen het liefst eens eigenhandig vertellen wat ze ervan dacht. Het is wel háár dochter die ze zo behandelen! Soms lukt het haar ook niet om haar mond te houden, maar daar heeft ze dan steevast spijt van. Want meestal zijn dan niet alleen Tommy en Suzan, haar kleinkinderen boos op haar, maar Chantal erbij. En Bob niet te vergeten.
Het oppassen valt haar sowieso steeds zwaarder. Maar dat laat ze niet merken, want aan de andere kant vindt ze het ook vreselijk leuk. Je blijft betrokken bij hun gezin en het houdt je geest beslist jonger. Ze verheugt zich al op het komende weekend, als Chantal en Bob een dagje op stap gaan met vrienden. Maar…. ze ziet er ook tegenop. Heel dubbel en eigenlijk weet ze niet zo goed welk gevoel nu overheerst. Daar komt nog bij dat Hans het altijd vreselijk ongezellig vindt als ze weg is. Dus zorgt ze eerst dat er iets te eten voor hem klaarstaat, dat hij makkelijk op kan warmen. Of hij eet even een hapje mee in Chantals huis, maar meestal vindt-ie dat te druk. Nou ja, ze zullen wel zien.

 

***

 

Vreemd, Loes neemt niet op. Op maandag heeft ze volgens Anne nooit vaste afspraken. Boodschappen doen zeker.
‘Hans, neem jij de post even mee als je gaat wandelen? Verjaardagskaartje voor Liesbeth, wil ik graag op tijd bij haar hebben.’
Het wandelen gaat haar niet zo goed meer af. Snel benauwd. Ze heeft al allerlei onderzoeken gehad, maar ze weet zelf al te goed waar het in zit. Ze heeft haar hele leven al een scheve bouw. Met de jaren zakt ze steeds ietsjes meer in en dat drukt op haar longen. Dat hartonderzoek had haar wel gerust gesteld. Daar was in ieder geval niets mis mee.
‘Als je snel bent, kunnen we samen naar de herhaling van André Rieu kijken.’
‘Dat begint pas over een uur. Red ik makkelijk. Ik ga meteen even langs de super voor een lekker toetje.’
IJs, denkt Anne. Toetjes bij Hans staan gelijk aan ijs. Hele bakken kan hij op, waarna hij zelf vaak helemaal onder zit. Met een servet veegt ze regelmatig zijn brede lach schoon.
‘Daar kun je me ’s nachts voor wakker maken, weet je dat?’ voegt hij er steevast aan toe.
Natuurlijk weet ze dat, na ruim vijftig jaar huwelijk. Maar haar hoor je niet klagen. Ze is blij dat ze nog samen zijn. Daarmee is ze wel een unicum, de meeste van haar vriendinnen zijn inmiddels weduwe. Bovendien is Hans een enorm gezelligheidsmens, hun leven is nooit saai. Wás het maar eens saai. Voordat hun bestaan zelfs maar neigt naar gezapig, is er altijd wel een van de twee die zegt: ‘Wat denk je, zullen we naar ‘De buren’?’
Jassen aan en op naar hun stamkroeg. Perzische tapijtjes op tafel. Bier, wijn en praat paraat en niet zelden het een of andere koor of muziekvereniging, waar ze altijd wel wát mensen van kennen. Dan wordt het weer een latertje.

 

Telefoon.
Ha, dat zal Loes zijn.
‘Ma-am, met Chantal,’ klinkt het klagelijk.
O, jé, het is weer zover.
‘Kun je straks even hier komen? Bob moet overwerken en ik wil eigenlijk m’n tennistraining niet missen.’
‘Wat is straks?’
‘Uurtje of half zeven?’
‘Wat doe je dan met het eten?’
‘Ik heb nog een kliekje over van gisteren, dat eten we voordat jij komt wel even.’
Die kliekjes van Chantal kent ze. Meestal een boterham met knakworst en anderhalve plak komkommer. Da’s alleen maar water, daar komen de vitamines niet mee naar binnen.
‘Ik kom en dan kook ik ook wel, leg maar wat klaar.’
‘Je bent een engel.’
Hè, waarom heeft ze nu weer ja gezegd! Kan Chantal lekker tennissen, maar mist ze ‘Hart van Nederland.’ En Hans…..
‘Wat eten we vandaag?’ roept die iets later.
‘IJs?’ probeert ze.

 

Ze is laat en zet snel nog even een grote kom soep in de magnetron. Als ze hem eruit haalt, vergeet ze dat de stenen kop mee verwarmd is. Haar handen omvatten de kom. Tegelijkertijd slaakt ze een kreet en probeert de soep terug te zetten, wat niet goed lukt. De loeihete bouillon verspreidt zich over haar decolleté. De paar stappen naar de douche lijken meters. Hans’ eetkamerstoel valt om als hij haar achterna wil lopen. Ze huilt van de pijn. Hans probeert haar met een lauwe douche voorzichtig te helpen.
‘O, Anne, Anne toch,’ begint hij mee te snotteren als hij ziet hoe veel pijn ze heeft. Na een douche van een minuut of tien legt hij behoedzaam schone natte theedoeken op Annes huid en rijdt met haar naar het ziekenhuis.
De wachtkamer zit vol. Het duurt te lang voor ze aan de beurt zijn.
‘U heeft goed gehandeld,’ troost de arts.
‘De schade is weliswaar behoorlijk, maar het had veel erger gekund.’
Met uitgebreide instructies en een flinke dosis pijnstillers mag ze gelukkig weer naar huis.
‘Morgen wil ik u wel weer terugzien en als er iets is vannacht, vooral even laten weten.’

 

***

 

De volgende ochtend heeft Hans een pissige Chantal aan de lijn.
‘Waarom zegt ze geen nee als ze toch niet komt, pap! En waarom nemen jullie verdorie de telefoon niet op?! Bob was hartstikke laat, kon ik m’n tennissen wel vergeten!’
‘Chantal, mam heeft gisteren een ongelukje gehad, we hebben er gewoon niet meer aan gedacht. Heel vervelend voor je, maar wij zaten in het ziekenhuis.’
Chantal valt stil: ‘Sorry, oh…. Sorry! Wat erg van mij, wat egoïstisch.
Wat is er dan?’
Hans vertelt.

 

Binnen een uur staat ze met een bosje witte chrysanten en eenzelfde kleur gezichtje voor de deur. ‘Daar is mama toch zo gek op?’
Anne grijnst een beetje scheef: ‘Dank je, lief van je.’
Chantal vervangt de oude bloemen voor nieuwe exemplaren.
‘Gaat het een beetje?’
‘Eerlijk gezegd heb ik me wel eens beter gevoeld. Ik moet straks weer terug, ze houden het even in de gaten.’
‘Mam, het gebeurt wel vaak de laatste tijd, hè? Dit soort dingen.’
‘Wat bedoel je schat?’
‘Nou, dat geklungel. Of je laat het gas aanstaan, sluit de deur niet goed achter je.’
Hans seint: niet nu over beginnen.
Anne sluit haar ogen. Rust. Ze wil rust.
Hans trekt Chantal apart. ‘Ik ben vanochtend gebeld door Marjan. Ze krijgt Loes nog steeds niet te pakken en wij ook niet. Mam heeft het gisteren ook al geprobeerd, want ze had haar oorbel hier verloren. Loes heeft Wies zondagavond na het kaarten nog keurig netjes afgezet, niets aan de hand. Maar vanaf dat moment is ze buiten beeld. Ik wil er eigenlijk even naartoe rijden, maar ik wil mam ook niet alleen laten nu.’
‘Heb je het er al met haar over gehad?’
Hans schudt: ‘Ik krijg het niet over m’n lippen.’
‘Ik ga wel even. Heeft mama niets in de gaten, kun jij gewoon met haar mee naar het ziekenhuis.’
Hij kijkt haar opgelucht aan. ‘Fijn. Het zal allemaal wel loslopen, maar dat wil ik gewoon even zeker weten, oké?’
Chantal pakt haar jas, geeft haar ouders een kus en vertrekt. Als ze meteen gaat, is ze op tijd voor terug voor de kinderen. Tenzij er wel iets is natuurlijk. Brrrr, niet aan denken.
‘Doeoeg.’
‘Over bliksembezoekjes gesproken,’ moppert Anne.

 

Binnen een uur is ze terug.
Ze treft het huis leeg aan. Chantal pakt de huissleutel. Ze zullen nog wel in het ziekenhuis zijn. In de keuken en badkamer heeft pap zo goed en kwaad als het ging de boel opgeruimd, maar het is nog steeds een rommeltje. De vloer van de keuken is gevaarlijk glad. Ze vult een emmer met sop en gaat aan het werk. Met een beetje geluk is ze klaar voordat pap en mam weer thuis zijn.
Als ze de sleutel in het slot hoort, roept ze: ‘Niet schrikken, ik ben binnen.’
Snel loopt ze naar hen toe. Ze ziet haar ouders. Waren hun schouders altijd al zo iel? Het grauwe, pijnlijk vertrokken gezicht van haar moeder ontroert haar opeens enorm. Ze neemt haar over van haar vader: ‘Kom maar, mam.’
De bezorgde blik van pap is in dit geval niet voor haar moeder bestemd weet ze. Dat negeert ze even.
‘Was het verder wel goed?’
‘Ja, overmorgen terugkomen,’ is het korte antwoord. Ze is uitgeput en down.
‘Was ze er niet?’ klinkt het ongerust.
Chantal knikt van nee en kijkt haar vader vragend aan.
‘Volgens mij moeten we de politie bellen,’ aarzelt hij.
‘Zal ík dat doen?’
‘Vervelend dat we geen telefoonnummer hebben van een van haar kinderen. Marjan en Wies ook niet. Wie weet wat we allemaal overhoop halen, terwijl ze misschien wel gewoon bij een van hen is.’
‘Mam’ vraagt Chantal, ‘heb jij het telefoonnummer van een van de kinderen van Loes?’
Anne is meteen klaarwakker. ‘Waarvoor?’
‘We krijgen haar niet te pakken. Ik ben toen jullie in het ziekenhuis waren naar haar huis gereden, daar is ze niet.’
Anne kijkt vertwijfeld voor zich uit.
‘Verdorie, ben je zoveel jaar vriendinnen en weet ik niet eens waar ik haar kinderen kan bereiken! Maar daar hebben we nu natuurlijk niets aan,’ trekt ze haar conclusie. ‘Wat doen we nou?’
‘Politie,’ antwoorden Chantal en Hans tegelijk.
Na overleg met Wies en Marjan lijkt dat inderdaad de beste oplossing.

 

***

 

‘Wat is het kenteken van haar auto?’ vraagt de agent aan Wies. Wies kijkt vragend naar Anne. Naar de anderen. Ze hebben allemaal geen idee.
‘Ze heeft een blauwe Ford Ka.’
‘JS….’ pijnigt Wies haar hersens.
‘Potverdorie! Geen telefoonnummer van haar kinderen, geen idee van haar kenteken, wat erg! Daar denk je toch normaal gesproken ook niet aan.’
‘We zullen als eerste haar kinderen bellen, we kunnen waarschijnlijk wel achter hun adressen komen. Waar wonen ze?’
‘Eentje in Wassenaar, dacht ik.’
‘Ja. Ja, daar was ze altijd zo trots op.’
‘En Marjolein, waar woont die ook al weer?’
‘Dicht bij Amsterdam….. maar niet in Amsterdam zelf,’ schiet Anne te binnen.
‘Nee, joh!’ zegt Marjan. ‘Haar dochter woont al jaren in Groningen. Die is toen toch verhuisd?’
‘Daar komen we wel uit. En het kenteken kunnen we ook achterhalen hoor,’ stelt de agent hen gerust.
‘Wat denkt u agent?’ vraagt Anne. ‘Je hoort zulke rare verhalen tegenwoordig.’
‘Anne toch!’ de schrik van Marjan is oprecht.
‘Er stond laatst weer zo’n stuk in de krant,’ verdedigt ze zich. Ze houdt haar schouders naar voren, zodat haar kleding zo min mogelijk tegen haar huid aan komt.
De agent staat op: ‘Dames, geen voorbarige conclusies. Ze kan ook gewoon van de weg geraakt zijn.’
‘Dat stelt ons reuze gerust!’ antwoordt Wies sarcastisch. ‘Ze had geen slok op en Loes is een prima chauffeur.’
‘Ze moet alleen wel over een rotweg, hè? Zo achteraf en intens donker,’ zegt Anne bezorgd.
‘We gaan het allemaal uitzoeken, u hoort van ons.’
‘Wanneer? ‘
‘Zodra wij iets weten. Kan ik u als contactpersoon noteren?’ Hij knikt naar Wies.
Hans grijpt in: ‘Nee, dat zijn wij.’ Hij geeft Wies een knipoog.
Wel zo verstandig. Wies heeft nog steeds genoeg aan zichzelf. Hij en Anne kunnen slecht nieuws altijd nog samen verwerken en de anderen opvangen indien nodig. Het zint hem allemaal niets.

 

***

 

Anne slaapt slecht. Door de pijn op haar borst kan ze niet draaien. Op haar rug liggen doet ze normaal gesproken nooit. De kussentjes heeft ze al tientallen keren op een andere plek gelegd. Zal ze nog een pijnstiller nemen?
In gedachten gaat ze alle opties af. Doemscenario’s. Om zichzelf daarna weer te sussen: ze slaapt nu gewoon heerlijk bij één van de kinderen. Maar dan had ze daar toch wel iets over verteld tijdens het kaarten. Niets voor Loes om dat niet te doen. Ze woelt en draait en draait tot de wekker aangeeft dat ze eruit mag. Zes uur. Of zal ze nog even wachten?
Thee. Benen strekken, rug strekken - voorzichtig. Spieren in beweging, dáár heeft ze behoefte aan. Ze moet ook plassen. Alweer. De donkere sluier trekt maar niet weg. Kon ze maar van bril verwisselen, de wereld weer een beetje roze laten kleuren. Ze denkt voor de honderdste keer terug aan de kaartavond. Was haar iets opgevallen aan Loes? Maar ook nu kan ze niets bedenken. Het was zó ontzettend gezellig, Loes was even vrolijk als de rest.
Ze voelt zich ook schuldig. Onverantwoord om haar alleen dat hele stuk nog te laten rijden. Ze had moeten blijven slapen. Kan makkelijk. Waarom bedenkt ze dat nu pas? Zou Loes dat al wel eens gedacht hebben? Maar dan had ze het toch wel gevraagd? Ze kennen elkaar lang genoeg om daar niet meer moeilijk over te doen.
Hans slaapt. Ze is gewoon een beetje jaloers. Door haar slaaptekort wordt ze nog somberder. Het is al woensdag vandaag. Dan is Loes nu al voor de derde dag spoorloos!
Ze gaat die agent straks bellen. Dit duur véél te lang.

 

***

 

In het ‘Krasnapolsy’ zit een dame in een fonkelnieuw Chanelpakje achter een glas sherry. Ze kijkt naar een programma over de laatste literaire aanwinsten van deze maand. De presentator is een jonge man met een heerlijke bos krullen.
‘Het blijft toch een knapperd, hè?’ zegt ze tegen niemand in het bijzonder.
‘Ober, mag ik nog een dry sherry van u?’
Het is wel wat vroeg op de dag, maar ach, je leeft maar één keer. Bovendien zei Wim altijd dat ze eens wat meer van het leven moest genieten: ‘Zit toch niet zo op de centen, daar wordt niemand beter van.’
‘Op jou, Wim’ giechelt ze. ‘Ik heb m’n best gedaan dit keer, kerel!’
Alleen die exquise diners hier kosten al een fortuin. Een gezonde trek overvalt haar. Ze is uitgeput van het shoppen. Bijna alle kledingwinkels van naam heeft ze van binnen gezien. Van de PC Hooft naar de Dam is sowieso al een behoorlijke afstand. Met tassenvol kwam ze het hotel binnen. Ze heeft er een hekel aan om terug te rijden als ze gedronken heeft, dus heeft ze nog een nachtje bijgeboekt. De eerste dag in het hotel had ze vooral nodig om bij te komen. Ze wiste niet dat ze zó moe was.
Gisteren heeft ze eens ongegeneerd aandacht besteed aan zichzelf. Heerlijk naar de kapper, inclusief hoofdmassage. Ze kwam naar buiten met roodgeverfd haar, een belachelijk duur flaconnetje shampoo en modelleerklei van hetzelfde merk. Nooit eerder van gehoord, maar het werkt fantastisch. Toen zó door naar de manicure en tot slot heeft ze al dat moois tentoongesteld op het terras van het ‘Americain.’
Bijna genânt hoe lang ze daar bleef zitten. Mensen kijken. Kinderen spelend bij de fontein. Hun wereldje eindigend daar waar ze hun moeders weten. Zon op haar gezicht. De gerant kwam regelmatig een praatje met haar maken. Wat zo’n make-over al niet kan doen.
Het alleen zijn vliegt haar soms een beetje aan. Maar ze wil niet dat haar omgeving denkt dat ze continue alleen thuis zit. Het zielige vrouwtje is.
‘Nee, hoor. Ik vermaak me best. Best!’
Straks nog een gokje in het casino. Kijken of ze terug kan winnen wat ze de eerste avond verloren is. Ze heeft geen idee om hoeveel geld het ging, maar de stapel fiches ziet ze nog voor zich.
Hè, jammer. Haar favoriete programma is afgelopen. Nog even het zes uur journaal, daarna gaat ze aan tafel.
‘Kommer en kwel én ellende!’ vertrouwt ze de jonge man toe, die op een Chesterfieldbank verderop in de loge is gaan zitten. Hij bekijkt haar met een blik die ze niet thuis kan brengen. Medelijden? Afkeuring? Vermaak?
Ze drapeert haar zakdoekje terug in haar verse ‘Louis Vuitton.’
‘Hier volgt een politiebericht. De politie is op zoek naar Loes de R. Ze is sinds zondagavond vermist. Haar signalement luidt als volgt: …..’
De sherry valt uit haar hand. Het bloed stijgt naar haar wangen. Ze is volledig uit het veld geslagen.
‘Maar….. dat is…’ ze wijst en stamelt ‘Dat is…….. ‘
‘Verschrikkelijk!!’

 

***

 

Anne pakt de hoorn op.
‘Wat zegt u?’
‘Dat méént u niet!’
Ze luistert en knikt. Haar gezicht staat achtereenvolgens op schrik ongeloof, blijdschap, besmuikt gelach. Hans kijkt ernaar en snapt er helemaal niets van.
Als ze ophangt, zoekt ze houvast in zijn ogen.
‘Ze komt naar huis! Ze leeft, is gezond en komt naar huis.’
Ze geeft Marjan en Wies het bericht meteen door. Er valt heel wat te bespreken. Ze maken een plan de campagne. De oplossing blijkt opeens ongekend eenvoudig.
Kaarten. Ze maken er gewoon weer een gezellige kaartavond van!

 

***

 

De man uit de loge vangt haar op.
‘Hoe komt het dat u hier bent, mevrouw? En dat ze u zoeken?’
Loes kijkt verdwaast om zich heen.
‘Wim?’
‘Jacques de Wille’ stelt hij zich voor.
‘O, Jacques. Tuurlijk, Jacques. Ik ben een beetje in de war geloof ik.’
‘Weet u waar u woont?’
‘Ja…… Ja.’
‘Zal ik dan de politie bellen? Dan kunnen ze u naar huis brengen en uw familie geruststellen.’
‘Ik was de weg kwijt. Zomaar.’ Ze is er nog verbaasd over. ‘Nou dacht ik, dan rijd ik gewoon naar m’n dochter. Kwam ik bij het ‘Krasnapolsky’ uit. Vroeger logeerden mijn man en ik hier altijd als we naar Amsterdam gingen….’
Hij kijkt haar vriendelijk aan. Prachtige snit dat pak, zeker met die hoge witte kraag eronder, denkt Loes.
‘Mag ik?’ Zijn hand reikt naar haar haar. Ze laat hem begaan, sluit haar ogen.
Wim…. Och, Wim…..

 

***

 

‘Als we nu toch zo eerlijk tegen elkaar zijn, doe dan in Godsnaam die Godsvergeten stinkende chrysanten eens een keer de kamer uit!’ schiet Loes opeens uit haar slof. Die doen me steeds aan de begrafenis van Wim denken.’
Ze kijken elkaar verschrikt aan, Loes niet in de laatste plaats. Dan beginnen ze onbedaarlijk te lachen. Loes doet er nog een goede schep bovenop, door het verhaal van Jacques in geuren en kleuren te vertellen.
‘Dus hij strijkt door mijn haar, ik droom een beetje weg… heeft ie opeens een klodder klei in zijn handen! Dat intrigeerde hem de hele tijd al, zei hij!’
‘Maar het rode haar staat je prachtig,’ troost Marjan.
‘O, Loes, ik heb nog een oorbel van je,’ herinnert Anne zich nu. Ze loopt naar het zilveren doosje en geeft Loes haar oorbel terug. Dan pakt ze de vaas met bloemen beet. Resoluut haalt ze de chrysanten uit het brakke water, knakt ze doormidden en laat ze verdwijnen in de pedaalemmer.
‘Blijf je in het vervolg dan gewoon hier overnachten?’
‘Ik was zo in de war. Verdorie, ik schaam me dood.’
‘Onzin. Dat kan de beste gebeuren,’ zegt Anne gedecideerd.
‘Wat ligt daar?’ Anne kijkt over haar bril.
‘Ruiten of harten?’
‘Harten. Hartenvrouw,’ antwoordt Wies.